Geschiedenis Kerk van Pieterburen
Het dorp Pieterburen wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1371. In 1471 wordt de kerk van Pieterburen voor de eerste maal genoemd in het testament van Oda Ponte. Zij was bewoonster van de verdwenen borg Dijksterhuis. De borg stond aan de noordkant van het dorp.
De in gotische trant gebouwde kerk dateert uit het begin van de vijftiende eeuw. Zoals het met kerken gaat zijn er in de loop van de eeuwen bouwkundige veranderingen aangebracht. Zo is rond 1600 het noordertransept aan het gebouw toegevoegd. De kerk bezat een losse toren, die in 1805 is vervangen door een aan de kerk vastgebouwde toren. De architect van dit deel van de kerk is Mathijs Walles.
Het interieur van de kerk is door de eeuwen heen door de families die Borg Dijksterhuis bewoonden bepaald. Op het koor staat de herenbank, daterend uit het begin van de 18e eeuw. Het houtsnijwerk van de herenbank is van Jan de Rijk. De bank is vervaardigd door Albert Meijer.
De triomfboog tussen koor en schip is van Anthonie Walles, de zoon van de architect van de toren.
De preekstoel is in 1785 geplaatst tegen de zuidzijde van de kerk. Het is opgeluisterd met o.a. het wapen Alberda.
De vier rouwborden hangen in het koor. Het oudste bord stamt uit 1613 is ter nagedachtenis van Diderich Sonoy (overleden in 1597) en Maria van Malsem (overleden 1584) vervaardigd. De andere rouwborden zijn van latere datum.
In 1901 is het Arp Schnitzer-orgel vervangen door een orgel van F. Leichel en Zoon uit Lochem. Enkele jaren geleden is dit orgel gerestaureerd. Het is daardoor weer geschikt voor het geven van concerten.
Het houtsnijwerk van het orgelbalkon is eveneens vervaardigd door Jan de Rijk en stamt uit 1703.